social follow

De peddel

De peddel

(1)

‘Hoe bloot wil ik gaan?’ Zoals zo veel schrijvers-in-wording visualiseerde ik, meer dan eens mijn mogelijke paden naar succes. Het was in een tijd waarin ik nog belang hechtte aan het concept van vriendschap.

Nu mijn biografie van Zombie Nella - ongevraagd, en door zeer foute schrijvers opgesteld - bij de drukker ligt, realiseer ik mij dat ik toen de verkeerde vragen stelde.

Toen wist ik nog niet wat ik nu weet. Een van de belangrijkste levenslessen in dit leven die me bijgebleven zijn, is dat liefde en haat niet bestaan, dat het verzinsels zijn van onze geesten om ons troost te bieden, of om anderen ermee te kunnen manipuleren.

De weg naar succes lijkt nu alleen maar belachelijk en infantiel.

 

(2)

Ik zocht en vond een weg die me beter beviel, ideaal voor wildschrijvers zoals ik. Woordenzifters, filosofen of taalprofessoren noemen het ‘The Stream of Consciousness’. Ik dook erin en verloor mij erin. Het voelde als fris water, verkoelend, reinigend en deugddoend. De stroom heeft me schoongewassen. Gedachten kunnen dat.

Mijn duik in de stroom verliep niet geheel vrijwillig. Aanvankelijk wilde ik alleen een boottochtje maken. Bij de waterval verloor ik boot en peddel. Ik vond een stronk en hield me er lange tijd aan vast tot ik bij de volgende cascade wel moest loslaten.

Ik werd wakker op een oever met veel keien. De peddel lag vlak naast mijn gezicht. Het duurde even voordat ik besefte dat ik dood was.

 

 

(3)

Dat de dood rust brengt is een dwaas misverstand. Nu ik mij zelf in de situatie bevind, kan ik dat ruimschoots bevestigen.

De middagzon schroeit. De keien onder mij worden te heet. Ik krabbel overeind en strompel naar de begroeiing wat verderop. Aan de struiken hangen er nieuwe kleren voor me klaar. Ik kan kiezen tussen een soepjurk met bloemenprint, een gestreept tijgervel of een zwart laken met dito kap… Zucht. Allemaal niets voor mij. Daarnaast, op de grond vind ik een paar stevige stapschoenen en een roos koffertje.

Ik open het direct, nieuwsgierig als ik ben. Het koffertje lijkt op dat van presidenten. Er zit een zwart bakje met een rode knop in, een cursusblok en een rode pen.

 

(4)

De kleren staan me niet aan. Spuuglelijk zijn ze. Ik vraag me trouwens af waarom ik ze nodig heb, nu ik geen lichaam meer heb.

De schoenen bevallen me beter, nuttiger vooral, als bescherming tegen de prikkende ondergrond. Ik trek ze aan en ik prop de kleren in het koffertje. Misschien vind ik wel een goede naaister in dit nieuwe land en misschien kan er wel iets mooiers van de drie verschillende stoffen gemaakt worden.

Een ongekende weg ligt voor me open. Naakt en onzichtbaar, met alleen een paar schoenen aan neem ik deze bizarre afslag. Ik vind het een hilarisch idee. Tot ik mij realiseer dat de roze koffertjes uit mijn vorige leven bijna altijd voor ernstige problemen zorgden…

 

(5)

Ik twijfel. Zal ik teruggaan en de peddel meenemen op mijn tocht? Je kunt er lastige mensen mee van je afslaan… Ik schud mijn hoofd. Nee, nu zal het anders zijn. Een flink stuk onzekerder begeef ik mij verder op de weg.

Het is zoals ik vreesde: ik ben hier niet alleen! Bloedende zombies horken me kwijlend achterna, rottend, walmend, stompzinnige klanken uitstotend. Sommigen missen een paar lichaamsdelen… Alleen zij die een kap dragen lijken voorzien te zijn van een hoofd… En dan begrijp ik het: krankzinnig zichtbaarheids-textiel. Dat moet het zijn. Er is geen andere mogelijkheid. Wellicht zien ze mij als een zombie waarvan alleen een paar voeten van overgebleven zijn…

De affgreuzen willen de koffer van me afpakken.

 

(6)

De stank rond mij is onmenselijk. De zombies zijn immens handtastelijk. Ik weet zeker dat ik hun ongewenste intimiteiten niet lang meer zal kunnen verdragen.

Ik kruip in een boom, ze kruipen me achterna en ondertussen probeer ik na te denken. Ik zou de koffer kunnen afgeven of… Met mijn voeten schop ik een grijpende hand van me af. Ik klim verder in de boomkruin tot waar de twijgen mij willen dragen. Als ik het niet doe, dan doen de anderen het wel in mijn plaats… Een doodsverlangen in een dode wereld is vast minder erg dan soortgelijk verlangen in de kringen van de levenden.

Ik voel alleen haast. Geen liefde, geen haat. Ik open de koffer en ik druk.

 

 

(7)

Geen knal. Geen stof. Geen zucht. Geen plof. Niets. Dan druk je op de knop, voor de eerste keer in je bestaan… Weer schop ik een paar zombies van me af.

Verdorie. Ik heb een fout gemaakt. Zombieland wordt waanzinnig druk. Uit het water komen steeds meer geesten. De struiken blijken ineens vol te hangen met de meest onnoemelijk lelijke kleren. De rode knop is ontploft in de wereld van de levenden. Zo had ik het niet ingeschat. Er is iets mis, vooral met de kleren die ze aanhebben. Sommigen dragen een roos koffertje.

De nieuwe doden hebben hun angsten en hun woede met zich meegebracht. Ze stormen op mijn boom af. En ze schudden er aan. Tot ik val.

 

(8)

Het wit is oogverblindend. Het duurt een tijd voor ik me kan focussen. Ik zit in een klaslokaal. Mijn koffertje ligt op het tafeltje voor me. Mijn hart maakt een vreugdesprong als ik de mensen voor mij herken. Mijn twee dode vriendinnen gunnen me een vluchtige blik. Uit hun gedrag maak ik op dat we elkaar na dit gedoe eindelijk zullen kunnen spreken. Mister Kawashibai draait zich om en hij geeft me vlug een knipoogje voordat hij een klap krijgt van de meneer met de witte strohoed die op me afdraaft.

Lakens zijn hier in de mode. Iedereen draagt lakens. Inclusief mezelf en degene die hier ronddraaft met een air alsof hij wil duiden dat hij hier de plak zwaait.

 

(9)

‘Neem je pen en de cursusblok.’ Hij neemt mijn koffertje mee. Zijn laken wappert als ik naar zijn brede rug kijk. ‘Hier schrijven we alleen maar over de liefde. In jullie verhalen mogen geen namen en geen verboden woorden staan, schrijf jullie boekje vol tot op de laatste pagina. Daarna zijn jullie vrij om te gaan.’ De instructies klinken kil.

 ‘Verboden woorden?’ vraag ik. Hij draait zich om met een ruk. ‘Zwijg. Ik heb je alles verteld wat je behoort te weten. Hier wordt alleen geschreven.’

Hier zijn geen dagen en geen nachten. Ik zit ik er nu al eeuwen. Opgescheept met de verkeerde woordenschat en een rode bloedpen die ondertussen vergroeid is tot een zesde vinger van mijn rechterhand. 

 

 

(10) Het woord van week 23 op 120-woorden was peddel. Ik heb er een novene van gemaakt. Je mag me altijd harten op de site. 

Add new comment