social follow

Het pompierke

Het pompierke

Het pompierke

 

Ik heb ooit eens een man gekend die zijn eigen uitvaart wilde vieren. “Het zal veel leuker zijn voor iedereen als ik er zelf ook bij ben,” zei hij.

Ik zie zijn pretoogjes nog altijd glinsteren. Een paar kleine genietende eksterogen die voortdurend als felle kolenvuren leken te branden. Hij heette Ronny en hij was de jongste van de geriatrische afdeling van het Sint-Ursula-instituut dat ze nu “De eeuwige Lente” hebben genoemd. De meeste bewoners van mijn afdeling waren tachtig-plussers en met zijn zevenenvijftig lentes kwam hij ver onder de gemiddelde leeftijd van de bewoners uit.

 

Ik weet niet zo veel over hem. Hij had geen familie en hij was zwaar ziek. De dokters gaven hem niet lang meer. Het was uitgezaaid over zijn hele lichaam en hij stond onder hoge dosissen van Cortisone en Morfine.

Misschien dat hij daardoor wat euforisch uit de hoek kon komen. Anderzijds, het was ook een hele speciale man, iemand die toch wel wat indruk op je achterliet.

Toen ik hem voor de eerste keer zag, vroeg hij me of ik hem wilde kussen. “Ik ben gehuwd,” meneer, zei ik toen. “En kussen behoort niet tot ons takenpakket.” De onbeschaamde vlegel stelde die vraag aan alle personeel. Het duurde niet lang of ze kenden hem allemaal. Maar hij kwam ermee weg. Het was geen viezerik, hij kende de grenzen van het goed fatsoen. Hij drong nergens op aan en hij bracht iedereen aan het lachen met zijn pittige manier van doen.

 

Ook de meest stuurse mensen kon hij om zijn vinger winden. De afdelingsdokter kon ik betrappen in “de intieme cirkel”.  Minder dan een halve meter afstand tegenover Ronny! Voor onze arts was dit wel heel ongebruikelijk, want de arme man werd namelijk geplaagd door smetvrees. Ongeveer een uur, hebben ze daar samen op Ronny’s bed gezeten, beiden verwikkeld in een conversatie die ondersteund werd met weidse gebaren, waarin vooral veel gelach te horen was. Waar hun gesprek over ging, weet ik niet, want afluisteren was alleen voorbehouden aan Zuster Ursula.

 

Ook zij was niet immuun voor Ronny. Al was daar wel een beeldenstorm voor nodig geweest. Onze hoofdzuster was enorme fan van Pater Pio en zijn beeltenis stond dan ook centraal te pronken in de gemeenschappelijke leefruimte.

Daarnaast hield ze ook erg van de Heilige Rita, maar dat was, denk ik zo, eerder voor de praktische kant van het geloof. De Heilige Rita is de beschermheilige van de verloren zaken en de verloren voorwerpen. En daar Zuster Ursula nogal vergeetachtig was, had ze de beeltenis van de Heilige Rita op de tafel in het midden van onze verpleegpost een plaats gegeven.

Wij waren dat zo gewoon dat we ons er geen vragen meer bij stelden. Ook al omdat we inmiddels allemaal wisten dat Zuster Ursula urenlang kon doorbomen over de wonderen van haar favoriete heiligen …

 

Op een dag was riep Zuster Ursula alle werksters bijeen. We moesten allemaal onmiddellijk naar de verpleegpost komen. Ook de twee poetsvrouwen werden er luidkeels bij geroepen. Dat was heel ongewoon, zo in het midden van de werkuren.

Zuster Ursula leek panisch. Haar bolle wangen kleurden ongezien rood. En ze had een stofdoek in haar handen.

“Pater Pio is verdwenen! Toen ik hem deze morgen in de leefruimte wou afstoffen, was hij er niet meer.”

Uit gewoonte gingen we allen braaf zitten rond de tafel, verder wachtend op het vragenvuur dat ons waarschijnlijk te wachten stond. Als trouwe honden hielden we haar mond nauwlettend in de mot, benieuwd voor wie de eerstvolgende vraag bestemd zou zijn.

Maar haar mondstand bleef in de open stand. En er kwam geen enkel geluid uit. Haar rode wangen werden wit. En ze liet zich zakken op haar stoel. Ze wees met haar vinger. Heel even was ik bang dat ze een syncope zou doen.

Ze bleef maar wijzen. En toen zagen we het allemaal. Pater Pio stond gewoon in het bureau, naast de Heilige Rita.

“Wie heeft dat gedaan?” Vroeg zij na een ongemakkelijke stilte.

Niemand antwoordde. En aan de gezichten van mijn collega’s te zien, was er ook niemand die maar van iets op de hoogte scheen te zijn. Het was heel vreemd allemaal.

En toen tikte Ronny op de glazen ruit van de verpleegpost. Hij wachtte niet op antwoord en hij kwam de kamer binnen met een bizar verende trend, alsof hij een duiveltje uit een doosje was met springveren onder zijn voeten, maar dat kwam vast door de morfine die ik hem die morgen al had toegediend …

“Ik heb hen vannacht bij elkaar gebracht,” zei Ronny verontschuldigend. “Ik werd zo geraakt door hun eenzaamheid. Weet u … Ook heiligen hebben soms nood aan gezelschap. Het was niet mijn bedoeling om u te laten schrikken, hooggeachte Zuster.”

“Nou, dat heb je anders precies wel gedaan,” zei ik.

Maar hij kwam ermee weg.

Meer zelfs: voortaan mochten die twee heiligenbeelden daar gezellig samen blijven staan.

 

Ronny had zijn rouwfeest volledig zelf geregeld. De catering, de ombouwing van de leefruimte tot sfeervolle eetzaal, de muziek en de discolichten. Wij moesten alleen maar aanwezig zijn.

Ik maakte me zorgen over de kaarsjes die op de lange tafel stonden. Ik sprak onze arts erover aan. “Zouden we die niet beter verwijderen,” vroeg ik. “Je kent Gerard en zijn traumatisch verleden.” Maar de dokter wuifde mijn bezorgdheid weg. “We zijn hier toch allemaal samen. Iedereen houdt toch een oogje op iedereen?”

Ik dacht dat hij gelijk had. Want we waren er toch allemaal. Alle bewoners van de afdeling en alle personeel was er gewoon die avond. En wat voor een avond dat werd …

Het buffet was fenomenaal uitgebreid en lekker.  Alles kwam van een gerenommeerd bedrijf, inclusief bediening. Ook de afwas namen ze mee. Het was het leukste rouwfeest dat ik ooit heb meegemaakt. En het mooiste was dat het plezier van iedereen zo echt was.

 

Een paar nachten later brak de brand uit.

Ik was van dienst die nacht. Gerard had het geflikt. Hij kwam het me zelf vertellen. Dat hij zijn matras in brand had gestoken. Omdat hij dacht dat de Duitsers eraan kwamen. De arme man dacht nog van zichzelf dat hij iets goeds had gedaan. Samen met hem liep ik naar zijn kamer. De brand was al overgeslagen naar de kamer ernaast. “Het werkt! Het werkt,” juichte de zot.

Ik belde de brandweer onmiddellijk en daarna mijn collega van de nabijgelegen afdeling. En toen maakte ik de buurman in de brandende kamer wakker. Ik begreep niet hoe hij maar niet wakker werd. Door de slaappillen die hij iedere avond nam? Ik sleurde hem bijna uit zijn bed en bracht hem in veiligheid in het trappenhuis die afgesloten kon worden met een zware branddeur.

Daarna liep ik naar de kamer van Ronny. Hij was de mobielste van de bewoners, die kon zichzelf in veiligheid brengen. Verdwaasd volgde hij me naar het trappenhuis. Daar gekomen, vertelde ik hem haastig wat er aan de hand was. Ik bond een sjaal rond mijn neus en mond, en ik liep de rook weer in. Het was erger geworden. De stank, de rook.

Het werd moeilijker om er doorheen te zien. Ik geloof dat Ronny me gevolgd was, samen met een collega van de andere afdeling. We haalden de bewoners uit hun bedden, en sleepten hen in lakens gewikkeld naar het trappenhuis. Het ging erg snel. Waarschijnlijk kwam dat doordat alle collega’s van de instelling ondertussen aan het meehelpen waren. Onze brandoefeningen bewezen hun nut. We hadden allemaal goed opgelet tijdens de les.

 

Ik telde de gezichten. Gerard ontbrak nog. En Ronny! Ik durfde de branddeur bijna niet meer te openen. De rook, het gevaar, opeens drong het me als een blikseminslag door me heen. Maar het moest. Ik dook weer door de rook. Ik vond hen niet meteen. Alles was zo zwart. En de stank had een verstikkende werking. Ze lagen op de grond. Bewusteloos. Er was weer iemand die me gevolgd was. Met twee stevige steeklakens in de handen. Gelukkig maar dat die persoon eraan gedacht had. Want de kamers stonden bijna allemaal te branden of te smeulen, we zouden er geen bruikbare steeklakens meer kunnen vinden. We sleepten hen haastig naar het trappenhuis.

De brandweer arriveerde. En toen ben ik naar buiten gerend. Om lucht te happen.

 

De dagen die erop volgden, waren zeer druk. De brand en het bluswerk hadden een ravage aangericht. Het duurde drie dagen voordat iedere bewoner weer in zijn of haar kamer kon verblijven. Ik weet nog dat ik drie dagen hoofdpijn had. De brandgeur en de geur van het bluspoeder werkten serieus in op mijn zenuwcellen.

Maar Ronny hield de sfeer erin. Aan iedereen die het horen wilde, vertelde hij de meest fantastische verhalen over de verpleegkundigen die hun patiënten uit de brand gehaald hadden. Hij fantaseerde er steeds meer op los. Maar dat vonden de medebewoners alleen maar nog fijner.

 

Een week later overleed Ronny. Ik was die nacht niet van dienst. Mijn collega’s vertelden me dat hij een lange en zeer onrustige dood gestorven was. Zijn hart was nog zo jong…

We zijn allemaal naar de kerk gegaan om zijn begrafenis bij te wonen. Er was geen rouwmaaltijd, want die hadden we al gehad. Ronny had gelijk: “Hoe kun je nu honger hebben op de dag van een begrafenis?”

De pijn. We huilden allemaal. Zelfs onze afdelingsarts. Het was Celine die me aanstootte en me er op wees dat ook kikkers kunnen huilen.

 

We waren in de verpleegpost samengekomen voor de wekelijkse evaluatievergadering toen de bel van de voordeur ging. Ik sprong onmiddellijk op. Een gewoonte, die ik niet meer kan afleren, al ben ik nu al jaren uit het vak.

Er stond een grote kartonnen doos op een kar met een wieltjes aan de voordeur. Van daarachter kwam de postbode ineens tevoorschijn. Hij vroeg me of ik wilde aftekenen. “Er zit ook een briefje bij,” zo vertelde hij.

Hij hielp me het pak verder rollen tot in de verpleegpost, ik bedankte hem, maakte de envelop open en ik las het briefje voor aan mijn collega’s.

 

“Beste allen,

Ik was bang dat Sint-Pieter me niet zou binnenlaten, en daarom heb ik nog geprobeerd om één goede daad te verrichten. Vraag aan Zuster Ursula of ze er een fles wijwater over giet, en dit beeld zal jullie en de afdeling blijvend beschermen.

Ik heb lang gezocht naar een verpleegster met lakens in haar handen, maar dat was helaas onvindbaar. Als ik een beetje meer tijd had gehad…  Daarom is het een pompierke geworden. Het ga jullie goed, Ronny.”

 

 

Het pompierke staat er nog, denk ik.

Het is al lang geleden, ergens wel ongeveer zo gebeurd...  Mijn woorden schieten te kort om de echte Ronny en zijn gezelschap volledig recht te doen. Dit verhaal is om diverse redenen bijeen gesprokkeld met ware en onware feiten. Net als iedere fictieschrijver, zo vind ik, heb ik het recht om mij te beroepen op een selectief geheugen. 

Het gevoel dat het bij mij achterliet is wel voor honderd procent waar: de dankbaarheid overheerst.

 

 

 

Geschreven nav 120-woorden:https://120w.nl/2018/het-pompierke/

 

 

 

 

 

 

 

 

Add new comment