Anna en Helmer

Anna en Helmer

Anna en Helmer

Verliefd

Hij heeft kuiltjes in zijn wangen als hij lacht. Om de seconde dacht ze aan hem. Anna wilde Helmer uit haar dromen wissen, maar ze was nog steeds op zoek naar de deleteknop om dat te doen. Hij bezorgde haar hartkloppingen van de levensbedreigende soort. Ze had hem slechts één keer gesproken en ze was hopeloos verliefd geworden. Dat had ze op haar veertigste niet meer verwacht. Het was veiliger om het bij iets platonisch te houden. Om een gebroken hart tegen te gaan. Ze was geen partij voor hem en hij had aanbidsters èn aanbidders genoeg. Ze zwermden om hem heen als bijen rond een honingpot.

Dit jaar sloeg ze de personeelsreceptie van de Brusselse belastingen een keertje over om te vermijden dat ze hem zou tegenkomen. Ze verschuilde zich op haar vertrouwde werkplek op de vijfde verdieping, tussen de oude dossiers die zij handmatig diende in te scannen. Ze hield van het archief. Het was er rustig en over het algemeen werd ze er door niemand gestoord. De vele ramen zorgden voor aangenaam daglicht. Het was er zo ruim dat de kamer probleemloos dienst zou kunnen doen als balzaal als ze de rekken wegdacht.

Ze had haar computer juist afgesloten toen ze de klap hoorde, gevolgd door een doffe bons. Het geluid kwam van ergens helemaal achterin. Ze stond op en ging voorzichtig kijken.

De zware stellage van de laatste rij, inclusief kartonnen boxen, lag volledig om. Het was net niet tegen de andere rekken aan gevallen. Wat is hier gebeurd? Hoewel ze onmiddellijk besefte dat zelfs een zeer krachtige tochtvlaag onmogelijk een stapelrek van die omvang omver kon blazen, keek ze toch naar de grote ramen om te zien of er geen open stonden.

Ze hoorde een zacht gekreun en draaide haar hoofd. Hij stond met zijn rug tegen de muur, achter het gevallen rek. Het is Helmer! Het besef dat hij het was, schokte haar tien keer meer dan de ravage op de grond. Hij leek doodsbang. Zijn gezicht was lijkbleek en zijn grote, groene ogen waren wijd opengesperd. Zijn vingers trilden toen hij zijn wijsvinger naar zijn lippen bracht. ‘Help me alsjeblieft. Als iemand naar mij vraagt, ben ik er niet.’ Hij beefde als een riet.

Ze begreep er niets van, maar knikte onwillekeurig.

 

Tikkende hakken weerklonken op het linoleum. Het hamerende gehakketak zwol aan en werd luider en luider. Anna werd bevangen door een beklemmend gevoel. Ze was niet de enige met een irrationele bangigheid. Helmers gezicht verstarde. Hij ademde zwaar door zijn neus. Op zijn voorhoofd verschenen druppelende pareltjes. Het was alsof ze zijn angst kon ruiken.

‘Daar ben je dan! Eindelijk. Ik heb je overal gezocht.’

Zijn lippen trilden.

Anna draaide zich om en herkende Jolanda. De poetsvrouw was gekleed in een blauw niemendalletje met meer inkijk dan fatsoenlijk was. Blote-tepel-schandalen zijn niet schandalig genoeg meer. Ze beet op haar lip en in plaatsvervangende schaamte sloeg ze haar ogen neer. Hoewel ze geen schoenenfetisjist was, werd ze bevangen door een vlaag van jaloezie toen ze een prachtig paar killerheels op de vloer zag staan. Stijlvolle stiletto’s met zwarte riempjes rond de enkels. Enkels in blinkende panty’s. Panty’s die glinsterden in het zonlicht. Ze verpakten benen die maar doorgingen en op twee welgevormde heupen aansloten, met daarbovenop een wespentaille om u tegen te zeggen.

‘Vanavond ga je uit met mij.’ De poetsvrouw priemde met haar wijsvinger op zijn borst.

‘Nee, dat heb ik je al uitgelegd,’ zei hij.

Jolanda trok een pruillip. De schaars geklede tang staarde haar aan alsof zij slechts een vies en nietig insect was. Blijkbaar zag ze geen concurrentie in haar en ze richtte zich weer tot Helmer. Ze snoof en maakte een nuffige beweging met haar neus. ‘Jij bent niet alleen bang van mij, jij bent gewoon bang van alle vrouwen. Venustrafobie, zo noemen ze dat. Als je het mij vraagt ben jij een venus-trafo-boob.’

‘Dat ben ik niet,’ zei hij verontwaardigd.

‘Waarom kom je er niet voor uit dat je homo bent? Dan hoeven wij ons niet meer belachelijk te maken. Het scheelt een hoop gedoe. Besef je wel wat je ons aandoet?’ Ze plaatste haar handen in haar zij en maakte een wulpse beweging met haar lange haar.

Helmer sloeg een arm om Anna heen.

‘Ik heb een date met, met...’ Vragend keek hij Anna aan.

‘Je hebt een date met mij,’ zei ze zacht. Ze toverde een glimlach op haar gezicht, die bijna zo breed was dat die van haar linkeroor tot aan haar rechteroor liep. Hij lachte terug. De kuiltjes in zijn wangen maakten haar duizelig.

Jolanda sloot haar ogen. ‘Ik dacht dat je meer smaak had.’ Ze zuchtte. ‘Je gaat voor ... mollig en brillig ... in joggingpak?’ Het klonk niet als een vraag, het klonk als een teleurstellende vaststelling.

‘Ik ben dus bezet,’ zei hij.

‘Ze heeft een slechte zondagskapper. Het is vast een doordeweekse kippenplukker.’ Ze gunde Anna geen blik waardig toen ze tegen Helmer sprak. Kwaad beende ze weg. Het geluid van tokkende schoenen in de gang galmde na toen ze de deur achter zich dichttrok.

Anna zuchtte. Hij had zijn rechterarm nog rond haar schouders. Ze begon te zweten.

‘Dat mens is een levende nachtmerrie. Bedankt, je hebt me gered.’ Zijn stem klonk als een zomerbries. Ze rilde toen hij sprak en de woorden drongen nauwelijks tot haar door. ‘Ik ben je echt wel een borrel verschuldigd,’ zei hij.

 

Het was een leuk café met fel gekleurde muren en het was er behoorlijk rustig.

‘Vanavond vanaf acht uur loopt deze tent tjokvol,’ zei Helmer.

Anna keek onwennig rond.

‘Ben je er nog niet eerder geweest?’

Ze schudde haar hoofd. Ze ging nooit uit.

Een dienster in een nauw aansluitend zwart jurkje kwam hun bestelling opnemen. Het meisje had een dikke haarbos met krullen in een prachtig soort aardbeienblond dat een onthutsend volmaakt gezicht omlijstte. Het leven is niet eerlijk. Vanwaar komen al die Disneyprinsessen tegenwoordig?

‘Ha Siobhan,’ zei Helmer.

‘Dat werd tijd. Eindelijk heb je eens een date,’ zei de vrouw toen ze Anna opnam.

‘Steek je neus niet in andermans zaken, zus,’ zei hij pinnig.

Opgelucht keek Anna van de ene naar de ander. Net als de prinses had Helmer ook koperen krullen. Alleen waren die van hem een paar tinten donkerder.

‘Jullie komen uit een knap nest.’ De gedachten in haar hoofd floepten er gewoon uit.

‘Dat weet ik zo nog niet,’ zei hij. ‘Echte schoonheid zit van binnen.’

‘Dat wil ik niet horen. Mensen hebben mij dat te vaak verteld. Meestal zeggen ze dat om de minderbedeelden te troosten,’ zei ze.

Helmer barstte in lachen uit.

Siobhan grijnsde onnozel mee. ‘Kan ik jullie een mojito van het huis aanbieden?’

Anna beantwoordde Helmers vragende blik met een knikje. Voor haar was alles goed. Ze was altijd bang geweest dat hij haar niet zou mogen. Het werd haar opeens duidelijk dat haar angst om afgewezen te worden ongegrond was. Ze had de indruk dat hij haar aanwezigheid zelfs zeer op prijs stelde. Het was alsof ze het grote lot gewonnen had. Ik heb een date met de knapste man van dit continent!

 

Ze hielden allebei van mojito. Het drankje rook goed, smaakte fris en de groene muntblaadjes deden Anna denken aan zijn ogen waar ze zo graag in verdrinken wilde. Hij vond haar grappig en zij vond hem knap. Het bleef niet bij één mojito en één afspraakje. Ze konden het prima met elkaar vinden en een mooie wederzijdse liefde bloeide tussen hen.

 

Verloofd

Valentijnsdag viel op een doodgewone vrijdag. Ze had een vierde dossier ingescand toen Helmer haar opbelde en vroeg of ze even naar zijn bureau kon komen.

Anna wurmde zich tussen zijn collega’s door en baande zich een weg naar zijn werkplek. Hij viel op zijn knieën en hield een doosje omhoog. ‘Wil je met me trouwen?’ vroeg hij. Alle aanwezige ogen waren op haar gericht.

Ze had meteen ja willen zeggen. Ze voelde de blikken priemen en werd er ongelooflijk zenuwachtig van. De juiste woorden wilden niet komen. ‘Moet ik even over nadenken,’ fluisterde ze hees.

Ze nam het doosje uit zijn handen en vluchtte naar haar verdieping. Ze sloot de deur van het archief en ze scande niet één zin meer in. Verbluft, ontdaan en onwezenlijk staarde ze naar de ring. Ze schoof hem voorzichtig aan haar vinger en hij paste wonderwel. Ook dat schokte haar diep. Ongelovig schudde ze haar hoofd.

Er klopt iets niet. De prins op het witte paard komt niet zomaar voorbij. Niet voor mij. We kennen elkaar nog maar pas. We hebben nog nooit met elkaar gezoend. Waarom vraagt hij het zo? In bijzijn van alle anderen? Het is precies alsof hij hen wil laten weten dat hij met rust wil gelaten worden. Jolanda is niet de enige die achter hem aanzit. Arme belaagde man. Te knap zijn is een niet-te-onderschatten last.

 

Tijdens de middagpauze klopte Helmer bij haar aan. De zuinige trek om zijn mond en de treurige blik in zijn ogen bezorgden haar onmiddellijk zwaar ellendige hartenpijn. De gedachte dat hij pijn leed omwille van haar was ondraaglijk en deed haar ogenblikkelijk “ja” zeggen.

‘Waarom zei je dat niet meteen?’ vroeg hij opgelucht.

‘Wel, we... hebben nog nooit met elkaar gezoend,’ zei ze zacht.

En daar bracht Helmer meteen verandering in. Zijn lippen voelden als fluweel. Vlinders ontwaakten en dartelden in haar buik. Haar antwoord was buitengewoon hevig. Zijn wederantwoord was nog heviger. Ze zoenden alsof hun leven er vanaf hing.

‘Wacht,’ hijgde Helmer. ‘Het... is hier niet... Het is te warm.’

 ‘Ik snap wat je bedoelt,’ zei ze zacht, bijna verlegen. De lucht kraakte van de opgehoopte spanning. Ze zette het raam open. De koele februariwind waaide binnen en ze verwelkomde hem als een welgekomen gast.

Hij maakte aanstalten om haar opnieuw te kussen.

Anna dook weg hoewel ze brandde van verlangen. ‘Niet doen,’ kreunde ze. ‘Ik barst bijna.’ Haar boezem bolde op, enkele knoopjes sprongen als vlooien in het rond en haar bloes knapte open. Daaruit ontsnapten er wel honderd fladderende Dagpauwogen, Gehakkelde Aureliaatjes, Oranje Zandoogjes en vele Kleine Koolwitjes.

Hij deed een pas achteruit en hij liet haar los. Geschrokken staarde hij haar aan.

Zij staarde terug en kon de vlinders niet tegenhouden. Ze bleven er maar uitzwermen. Als twee standbeelden stonden ze onbeweeglijk te kijken naar het vreemde schouwspel tussen hen in. De beestjes dromden tegen elkaar aan en bleven in file wachten voor een ontsnapping naar de buitenlucht vlak voor de hor van het geopende raam.

Helmer kwam in beweging en opende het vliegenraam zodat de gevleugelde schoonheden vlotter naar buiten konden vliegen. ‘Lepidoptera,’ fluisterde hij.

Samen keken ze een tijdje naar het wonderlijke schouwspel dat tussen de fletse flatgebouwen van de Koning Albert II-Laan zo veel kleur bracht.

‘Nou ben je je vlinders kwijt,’ merkte hij droog op.

‘Ik krijg toch steeds weer nieuwe kriebels in mijn buik als ik aan je denk,’ zei ze.

Hij streek met zijn wijsvinger over de welving van haar rechterborst. ‘Bij mij is het nog erger: ik word gek als ik aan je denk.’ Zijn vinger woelde tussen het spleetje van haar boezem. Dat had hij niet mogen doen. Anna voelde zich opeens erg bibberig.

Hij keek haar aan met een blik vol lust. Geilheid. Begeerte. Honger.

Ze staarde terug. Ze zwijmelde, voelde zich letterlijk verdrinken in zijn blik en ze wilde het niet tegenhouden. Het verlangen was te sterk en het gevoel was te machtig. Het schemerde voor haar ogen, even zag ze dubbel. Het leek alsof hij twee, drie, nee, vier paar groene ogen had. Een paar tellen later kwam ze bij in zijn armen.

‘Als je me nu nog een keer kust en als ik niet weer flauwval, dan ruk ik de kleren van je lijf,’ zei ze.

Hij glimlachte ondeugend en maakte aanstalten om te testen of ze al dan niet de waarheid sprak.

‘Niet doen!’ Ze veerde recht en sprong achteruit. ‘Zo hoort het niet te gaan. Bovendien, ik ben niet te vinden voor seks op het werk,’ betoogde ze zwakjes.

‘Ja, je hebt gelijk. Dat hoort niet,’ zei hij.

Toen ze hem aankeek had ze al meteen spijt van haar preuts gezwets. Ze voelde dat ze bloosde en staarde vlug naar het linoleum. Er viel een ongemakkelijke stilte.

Hij gleed met zijn vingers over haar wangen en richtte haar kin op zodat ze hem wel moest aankijken. Zijn doordringende blik stond ernstig. ‘Als we een half uur vroeger stoppen met werken deze avond, kunnen we nog langsgaan bij het stadhuis.’

Ze kreunde en zuchtte. Het laatste knoopje van haar bloes sprong in het rond. Een Koningin Alexandra Vogelvlinder piepte eruit en fladderde weg.

 

Op het stadhuis kregen ze te horen dat ze ten vroegste konden huwen op de derde van de maand maart. ‘Neemt u de documenten eerst mee naar huis,’ stelde de bediende voor.

‘We vullen ze hier wel in. Langer wachten is geen optie,’ zei Helmer.

Ze kon hem wel zoenen maar dat durfde ze niet. Niet daar, niet op dat moment. Stel je voor dat er opnieuw zoveel vlinders uit haar zouden vlieden.

Helmer zette zijn parafen en schoof de papieren door naar Anna. ‘We zouden het kunnen vieren met een Caipirinha.’

Ze keek op haar horloge. ‘Goed idee, dan kunnen we je zus meteen op de hoogte brengen.’

 

Siobhan stond in de keuken achter de bar. Ze was limoenen aan het snijden toen ze het haar vertelden. ‘Wat?’ Tranen schoten in haar ogen. ‘Gefeliciteerd! Ik ben zo blij voor jullie.’ Ze omhelsde hen hartelijk en draaide daarna een rondje. Het was precies alsof ze geen blijf wist met haar emoties. Ze nam zijn arm vast. ‘Dat had ik niet meer van jou verwacht. Dat is nieuws dat inslaat als een bom. Als mama dat zal horen, dan ... ’ Ze sloeg haar hand voor haar mond. ‘Dan begint ze over kleinkinderen...’

‘Kinderen?’ Anna lachte. ‘Daar bestaan toch pillen tegen?’

Siobhan keek Helmer met grote ogen aan. ‘Heb je dan niet... Weet ze dan nog niet...’

‘Weet ik wat nog niet?’ Licht geënerveerd staarde Anna hen beurtelings aan.

Er viel een gespannen stilte. De stilte werd onderbroken door een zacht gezoem. Een dikke bromvlieg die de winter blijkbaar getrotseerd had, vloog om hen heen. Siobhan mepte hem neer met haar limoenen-mes en stak hem gedachteloos in haar mond. Anna schudde haar hoofd. Had ze dat goed gezien?

‘Siobhan,’ reageerde hij geschokt.

Zijn zus kauwde erop alsof het een kauwgum was. Ze slikte. ‘Sorry,’ zei ze. ‘Hebben jullie al een idee waar jullie je wittebroodsweken zullen doorbrengen?’ vroeg ze hen.

‘Ach ja! Nee, daar hebben we nog geen tijd voor gehad.’ Hij klonk opgelucht.

Siobhan beet op haar onderlip. ‘Wacht hier even. Nee! Ga zitten aan een tafeltje, ik kom straks terug.’ Ze knipoogde naar haar broer en verdween.

Ze gingen op hun gebruikelijk stekje zitten.

‘Kinderen, waar heeft ze het over?’ zei Anna. ‘Ik ben zelfs niet zeker of ik die wel wil hebben. Ik ben veertig, misschien ben ik daar al te oud voor.’

Helmer staarde nietszeggend naar zijn handen.

 

Siobhan kwam terug met een dienblad. Ze zette twee cocktails op tafel en gaf Helmer een sleutel. ‘Het is nog maar pas gepoetst en er ligt een grote voorraad hout. Het is maar een voorstel.’ Ze knipoogde schalks en ze vertrok naar de toog waar een aantal klanten op hun bestelling wachtten.

Helmer speelde met de sleutel in zijn handen.

‘Wat betekent dit allemaal?’ vroeg Anna. Ze voelde zich niet graag lang onwetend.

‘Ken je de Franse Opaalkust?’

‘Ik ben er wel eens geweest.’

‘Wij hebben er een buitenverblijf, een klein maar aardig huisje, het ligt vlakbij de zee en kijkt uit op een prachtig strand.’

Anna trok haar neus op. ‘Noord-Frankrijk is erg koud deze tijd van het jaar.’

‘Er is een goedwerkende open haard.’

‘Het toeristisch seizoen is nog niet begonnen. Restaurants zullen we daar niet open vinden. In deze tijd van het jaar is er geen levende ziel te bespeuren.’

Hij keek haar veelbetekenend aan. ‘Dat is toch wat we zoeken. Privacy. We zullen leven van de lust en de liefde, mijn lief.’

Ze bloosde. De toon in zijn stem wekte enkele sensationele, potentiële toekomstbeelden bij haar op. Ze transpireerde en ze zuchtte, haar slip werd helemaal nat en ze kreunde bij de gewaarwording van de kriebels in haar buik. Ze kreeg het gevoel dat ze aan het stomen was en toen ze dacht dat ze het niet meer kon houden, knapten de veiligheidsspelden die ze aan haar bloes had bevestigd, open.

‘Rode Vuurvlinders,’ fluisterde Helmer gesmoord.

 

Eindelijk gehuwd

De dag voor het huwelijk nam Siobhan haar mee op sleeptouw. ‘Voor jullie speciale dag moet je iets anders dragen dan een bloes en een joggingbroek,’ had ze Anna gezegd. In de Nieuwstraat vonden ze een nieuwe bril en een stijlvol mantelpakje en in de Marollen wist haar schoonzus-in-wording een echt goede kapper te versieren. Een die zijn vak daadwerkelijk verstond.

Na de korte huwelijksplechtigheid op het stadhuis vertrokken ze onmiddellijk op reis.

Haar moeder gaf hen een grote rieten mand mee die gevuld was met stokbrood, wijn en kaas. ‘Van de liefde alleen kun je niet leven.’ Anna hield wijselijk haar mond. Rationeel gezien was het een onbetwistbaar nuttig cadeau.

Haar schoonmoeder duwde een frigobox in Helmers handen. ‘Vanille-ijs,’ zei ze zacht.

Siobhan gaf hen een ruiker rozen en een prachtig gehaakte sprei mee.

Met tranen in de ogen zwaaide Anna hen uit. Hun trouwerij was geen grootse bedoening, maar de personen die oprecht om hen gaven waren erbij en ze hadden hen overstelpt met liefdevolle attenties.

 

Het was er vreedzaam en verlaten, zoals ze hadden verwacht. Het vissershuisje gebouwd in ruw gesteente, had blauw geverfde luikjes en lag moederziel alleen aan een keienstrand. De bruine keien, gepolijst door het werk van de zee, schitterden in het licht van een flauwe Noordzeezon. Er stond een gure wind en de hemel was gesluierd met vele tinten van-tot-rust-en-kalmte-aanmanend dof grijs. Het water ruiste en schuimkoppen dansten op de golven.

Anna en Helmer snoven de jodiumrijke lucht op. ‘Morgen zal jij geen maagd meer zijn,’ zei hij en hij droeg haar over de drempel van hun liefdestempel. Vervolgens laadde hij hun bagage uit. Anna draalde wat rond in het huisje, het zag er knus en goed onderhouden uit. Ze vond een vaas in de keuken om de rozen in te zetten. Met de sprei van Siobhan over zich heen plofte ze op de bank in de woonkamer, die uitkeek op het water van de Atlantische oceaan. ‘Het is alsof ik in een sprookje ben beland waar ik de prinses ben van het hele verhaal. Dit is bijna te mooi om waar te zijn,’ zuchtte ze.

Helmer legde zijn hand op haar schouder en verwijderde de sprei. Hij frutselde de knoopjes van haar bloes open. ‘Inderdaad, jij bent te mooi om waar te zijn.’ Zijn stem sloeg over en zijn ogen keken vol begeerte naar haar lichaam en vertelden meer dan woorden konden zeggen.

Ze dansten naar de slaapkamer terwijl ze zich verder ontdeden van alle hinderlijke textiel en ze buitelden als twee tortelduiven op het bed dat in het midden van de kamer stond. Opeens hield hij op met kussen. ‘Wacht... ik... doe het alleen in het donker,’ zei hij.

Ze fronste haar wenkbrauwen.

Hij legde zijn wijsvinger op haar lippen. ‘ St. Het is geen schaamte, mijn lief want dat is nergens voor nodig. Het is alleen dat seks in het donker veel intiemer is.’

Terwijl ze op hem wachtte, hupte hij haastig uit het bed en deed de luikjes van hun vakantiehuis dicht. Hij rommelde in zijn valies en toverde er een blinddoek uit die hij liefdevol op haar achterhoofd stevig dichtknoopte.

‘Wat doe je nu?’ vroeg ze.

‘Een blinddoek maakt het nog spannender,’ zei hij.

Hij was een beest in bed. Schreeuwen van genot, dat deden ze allebei, heel erg luid en heel erg lang. Uren na elkaar bedreven ze de liefde totdat ze uitgeteld in slaap vielen.

 

Anna werd wakker. Ik ben mooi. Hij vindt me mooi. Gelukzalig strekte ze haar armen. Het bed was warm en vochtig. Ze hoorde iets knappen. Het was alsof haar handen met iets kleverigs bedekt waren. De hele kamer geurde naar Helmer. Ze glimlachte.

Ze strekte haar benen en hoorde iets scheuren. Hoewel haar bekken beurs aanvoelde wilde ze het weer. Ze streek met haar handen over haar lichaam. Blijkbaar was ze verstrikt geraakt in het laken. Bijna woest probeerde ze het vervelende laken te ontwarren waar ze blijkbaar helemaal ingewikkeld was. Het lukte niet. Ze vloekte op de blinddoek die zo stevig was geknoopt. Waarom had hij hem zo stevig geknoopt? Ze wrikte hem los en gaf haar ogen de vrijheid. Het licht van de ochtendzon - of was het de middagzon? - scheen door de kieren van de luikjes van het raam. Ze glimlachte en vond dat de schemering romantisch genoeg was voor het ondernemen van een nieuwe actie.

Ze wilde zich omdraaien om hem aan te kijken maar de plakkerige stofdraden van het laken verhinderden het. Ze begreep het niet. Ze was er zeker van dat het een laken was dat op haar lag. Of was het toch een donsdeken geweest? Hadden ze het dons gescheurd?

Ze maaide met haar armen door de stofdraden. Toen ze zichzelf eindelijk bevrijd had, zag ze waar ze lag.

Ze gilde. Ze gilde en ze gilde. Niemand hoorde haar. En ze kon niet weg.

Onder haar stond het bed, op de vloer. Zij hing in de lucht dicht tegen het plafond. Met haar handen duwde ze tegen de eikenhouten balken van de zoldering. Ze kleefde in een soort suikerspin, een bleek wollig plaksel dat aan een weefsel van strakgespannen, witte touwen vastkoekte.

Links van haar werd ze een reusachtig monster gewaar. Ze hijgde en probeerde een nieuwe opkomende paniek te verdringen. Er lag een harige poot op haar schouder.

Ze werd panisch toen het tot haar doordrong dat ze gevangen was in een gigantisch spinnenweb naast een beangstigend grote spin die half op haar lag.

Ze onderdrukte een snik. Ze ademde gierend in en uit. Mijn leven is voorbij. Nu het zo perfect was. Helmer. Waar was hij nu zij hem zo broodnodig had? Had de spin hem verslonden? Was zij nu aan de beurt? Ze gilde opnieuw.

Ze probeerde zich los te wrikken, wat haar niet lukte want het beest sprong achteruit en uit verschillende lichaamsopeningen spuwde het nieuw spinsel dat het gericht rond haar polsen en enkels wikkelde. In een mum van tijd was haar naakte lichaam weer bedekt met wit, zijdeachtig spinnentextiel. Ze leek wel een ingezwachtelde mummie.

Hoewel ze zich bijna niet kon bewegen probeerde ze zich los te wrikken. Met alle kracht die ze in haar had. Ze trok met haar handen en ze schopte met haar voeten. Het waren zielige pogingen want zelfs de ultrafijne, bijna doorzichtige draden rond haar polsen waren merkwaardig sterk. Iedere beweging die ze maakte, zorgde ervoor dat ze steviger klitte in het net. Ze gaf het op. Het was onmogelijk om er weg te komen. Dat ze Helmer nergens zag liet haar de moed helemaal verliezen. Als hij niet meer leefde wilde ze ook niet meer leven. Ze zou zich laten oppeuzelen door het mormel. Als ze maar snel genoeg dood was, viel het misschien nog mee.

De spin bewoog en liet het web wiebelen.

Anna sloot haar ogen. ‘Als je me opeet, doe het dan snel, alsjeblieft,’ zei ze zacht.

‘Daarvoor hou ik te veel van je,’ zei het beest.

Het heeft geen honger meer. Het heeft Helmer nog niet verteerd. Het gaat met me spelen zoals weldoorvoede katten met muizen rotzooien. Anna begon te hyperventileren.

‘Het spijt me dat ik je aan het schrikken breng.’

Zijn stem! Het was zijn timbre. Hij leefde nog! Waar was hij dan? Helmer!’ Ze schreeuwde zijn naam tientallen keren, tot de spin een kwak plakkerig spinnenspuug in haar mond spoot. Het was alsof ze een zoete suikerspin in haar mond gedropt kreeg.

‘Kijk goed, liefste,’ zei het monster. ’Wat zie je als je naar me kijkt?’

Ze zag iets walgelijks met een vettig blinkende romp waarop acht vieze tentakels stonden. Ze durfde bijna niet kijken. De harige spinnenpoten bezorgden haar rillingen. Het haar dat op de poten stond, bezorgde haar nog meer rillingen. Acht groene, vieze ogen fonkelden in het duister. Het duister, dat haar voorheen zo romantisch had geleken.

Ze sloot haar ogen toen haar iets begon te dagen. Smaragdgroen. Ze wist zeker dat ze die ogen al eerder had gezien. Langzaam drong het tot haar door. Op Valentijnsdag was ze flauwgevallen toen ze doelbewust in zijn ogen wou verdrinken, juist nadat ze haar vlinders had vrijgelaten...

Dat kan niet. Dat wilde ze niet aannemen.

 ‘Ik ben een homo aranea.’

Ze schudde haar hoofd. Een homo? Nee, nee, nee. Je bent een beest, een monsterachtige spin, ja. Heb ik getorteld met een spin? De gedachte deed haar kokhalzen èn braken waardoor de plakkerige spinselprop uit haar mond stuwde.

‘Rustig. Luister nu heel even naar mij. Homo aranea, dat is de wetenschappelijke benaming voor mensen als ik, die deels menselijk en deels spinachtig genetisch materiaal bezitten. Ik kan je vertellen dat ik de erfenis van mijn geleedpotige, verre neefjes altijd heb vervloekt. Uren heb ik zitten dubben hoe ik het zou uitleggen. Ik kon niet weten dat het zo zou lopen, Anna.’

Zijn stem brak. ‘Ik was even maagdelijk als jij dat was, mijn lief. Ik transformeer alleen wanneer ik mijn gevoelens niet kan beheersen en het spijt me vreselijk dat het zo gelopen is. Ik had het anders gewild. Nooit heb ik geloofd dat mijn hormonen mijn verstand zouden overnemen. Ik had al verhalen gehoord. Sterke verhalen waar ik vaak om lachen moest. Ik dacht gewoon dat mijn vrienden graag pochten met hun bedprestaties.’ Hij keek haar bedachtzaam aan.

Ze huiverde. Het beest hield zich stil. Veel te stil voor haar gevoel.

‘Ja, jouw Helmer is een wisselaar en ik kan begrijpen dat je van mijn verschijning braken moet.’

Het welsprekende monster tokkelde met vier paar poten aan de touwen van het web. ‘Ik wil je niet kwetsen, laat staan dat ik je doelbewust pijn zou willen doen. Aan mijn geaardheid kan ik niets veranderen. Ik heb je in mijn net van liefde gevangen en alle draden van liefde die ik bezat aan jou geschonken. Als ik je nu bevrijd, staat het je vrij om bij me weg te gaan. Weet dan dat je mijn hart zal breken. Ik hou van je, ik verlang naar je en ik kan me niet inbeelden dat ik nooit meer naast je wakker zou mogen worden.’

‘Maak me los!’ zei ze.

‘Dat gaat niet zomaar. Mijn weefsels zijn uitermate sterk. Ik ben geen gewone spin, weet je wel.’

‘Hou op! Jij bent mijn Helmer niet.’

‘Geduld lief. Ik kan niet zomaar veranderen naar mijn mensengedaante.’

Anna sloot haar ogen. Het was nauwelijks te vatten. Haar Helmer? De zogenaamde hoofdprijs die ze had gewonnen? ‘Maak me los,’ gilde ze nog een keer.

‘Geduld, lief,’ herhaalde hij. Zijn poten bewogen griezelig, de draden van het web wiebelden hevig. Zeeziek werd ze er van.

Hij kwam dichter.

Ze hield haar adem in.

Hij stopte pal voor haar, op ongeveer dertig centimeter van haar vandaan. De deining in het web nam af. Zijn lelijke kop helde wat naar links. Onbeweeglijk en minutenlang bleef hij zitten zonder één woord te zeggen.

Anna verstarde. Ze wist dat het beest haar opnam en ze vond het verre van fijn.

Ze sloot haar ogen. ‘Ik wil alleen mijn Helmer zien,’ zei ze.

‘Ik ben je Helmer, schat.’

‘Mijn Helmer is geen beest,’ zei ze stug.

Het bleef akelig stil. Opeens begon het web weer te wiebelen.

Anna opende haar ogen en zag hoe de spin bij haar wegkroop, hoe hij zich een draadje spuwde en zich daarlangs liet zakken naar het bed onder haar, alwaar hij uit haar zicht verdween. Verdrietig staarde ze naar het hoopje wit textiel dat aan het voeteneinde lag. Het was beslist een laken geweest. Angst deed haar hart weer sneller slaan. Ze hapte naar lucht.

‘Laat me niet alleen!’ Riep ze dat nu tegen die engerd? Ze had het gevoel dat ze zou stikken. Ze hield zich voor dat het allemaal een droom was waaruit ze straks zou ontwaken, waar ze straks hartelijk om zou kunnen lachen. Het leek alleen iets te echt om haar gerust te kunnen stellen.

De stilte was luguber. Het schemerduister onheilspellend. Wanneer word ik wakker uit deze nachtmerrie? Het duurde eeuwen vooraleer ze weer iets of iemand hoorde. Maar hij kwam terug. Niet de spin kwam terug, hij kwam terug. ‘Helmer!’ haar blijdschap was van korte duur. Ze schrok bij het zien van zijn naakte lichaam dat ze zonder meer aanbeden had. Hij... Hij had een mes bij zich! Angst snoerde haar keel dicht. Tranen van stress stroomden over haar wangen. Hij hakte zich een weg door de stevige webdraden die overal bleken te zijn.

Anna begaf het bijna. Haar knieën knikten, ze bibberde, ze hapte naar lucht en kreeg geen zuurstof binnen. Toen ze doorkreeg wat hij aan het doen was, kalmeerde ze enigszins. Hij sneed haar polsen en haar enkels los en rukte haar uit het kleverige web. Hij bleef haar met één hand vasthouden terwijl hij zich een weg baande door een eindeloze jungle van plakkerige draden die hij met het mes, dat hij hanteerde als een machete, nu en dan doorsneed.

Verdoofd van de emotionele gebeurtenissen liet ze zich naar de bank in de andere kamer dragen.

Hij trok de gordijnen open zodat het licht naar binnen scheen.

Het is mijn Helmer. Zijn menselijk lichaam leek volmaakt doch ze huiverde toen ze bedacht dat hij eigenlijk een monster was. Het besef drong tot haar door als vlammende kiespijn.

Hij kwam weer dichterbij en zij kromp ineen. Zwijgend legde hij de kanten sprei van Siobhan over haar heen. Ze durfde niet bewegen. Het ding dat ze van haar schoonzus had gekregen, bezorgde haar een naargeestig gevoel. Ze staarde nietszeggend naar het fijne kantwerk. De weefsels waren wit en sterk en ze deden haar denken aan het web waarin ze zich vol lust had laten inpakken. Ze draaide haar hoofd en tuurde naar de tunnelachtige opening van de slaapkamer, die bijna volledig dichtgemetseld leek te zijn met witte spinsels. De deurstijlen waren onzichtbaar geworden onder een laag dons.

Panisch keek ze om zich heen. De wind speelde in de gordijnen van het raam. Blijkbaar had hij het raam ook open gezet. Waren het wel gordijnen? Want niets was meer wat het eerst leek te zijn.

Ze schudde haar hoofd, sloeg haar handen voor haar mond en hyperventileerde opnieuw. Het was allemaal te mooi geweest om waar te zijn. Wat eerst een sprookje leek was nu een nachtmerrie.

Het duurde een tijdje vooraleer ze erin slaagde om iets rustiger te ademen. De wind waaide heviger naar binnen. De zilte geuren van de zee prikkelden haar neus.

Ze wilde niet meer denken, niet meer zijn. Daarom richtte ze haar blik op het golvende landschap voor haar. De wolken keken dreigend en boden geen troost. De sepiakleurige keien straalden kilte uit. Alleen het donkerblauwe, golvende water was enigszins geruststellend. Zwijgend en verder aan niets-meer-denkend, bleef ze lange tijd naar de golven van het water staren. Eb en vloed volgden elkaar op. Soms hadden de kopjes veel schuim en soms waren ze hol en kaal.

 

Eb

Twee dagen lang zei ze niets, zag ze niets, hoorde ze niets. Ze wilde niets meer weten want ze wist al te veel. Ze had tijd nodig om het te verwerken.

Op zeker ogenblik verliet ze de bank. Houterig stond ze op en ze strompelde naar het toilet. Daar aangekomen realiseerde ze zich dat ze haar vertrouwde joggingpak aan had. Ze kon zich niet herinneren dat zij het had aangetrokken.

Toen ze terugkwam, staarde ze verwonderd naar het knetterende haardvuur. Iemand had het vuur aangemaakt. Hoe ze haar hersenen ook pijnigde, het schoot haar maar niet te binnen wie dat had gedaan. Haar rug deed pijn en ze draaide zich om die te verwarmen. Toen werd haar aandacht opgeslokt door een verschijning op het strand. Een oranje gloed verlichtte een harig silhouet dat ze al eens eerder had gezien.

De vlammende kiespijn kwam weer opzetten. Het griezelige schaduwbeeld op de bruine keien was haar man. Het zogenaamd grote lot dat ze gewonnen had. Seks voor het huwelijk zou gepromoot moeten worden in plaats van andersom, dacht ze wrang.

Aarzelend stapte ze naar het raam om haar wederhelft eens beter te bekijken. Voorzichtig schoof ze het raam een beetje open. Het beest zat op zijn achterste en schoof voortdurend met zijn poten over elkaar. Anna kon het horen, het schurende geluid van de harige poten. Het was alsof hij een diep treurig lied zong. Ze moest ervan huilen. Tranen stroomden over haar wangen en ze waren zilter dan het zeewater.

Opeens hield hij op. Haar adem stokte. Vier paar ogen keken in haar richting. Haar maag protesteerde. Haar knieën bibberden. Mijn Helmer is een monster, dacht ze voordat ze flauwviel.

 

‘Anna, je moet iets eten.’ Hij opende haar mond en duwde een lepeltje vanille-ijs in haar keel. ‘Alsjeblieft, eet. Ik wil mijn maatje terug.’

Voor het eerst keek ze hem echt aan. ‘Ik ook, ik wil mijn Helmer terug.’

Ze liet zich voeren als een vogeltje. Zo voelde ze zich, als een verloren vogeltje.

‘Kon je me niet van tevoren waarschuwen?’

‘Zou je me dan gewild hebben?’

‘Nee,’ zei ze.

‘Dat is een eerlijk antwoord.’ Hij voederde verder.

‘Zijn er nog zulke monsters op de wereld?’

‘Anna, je moest eens weten. Jolanda, de poetsvrouw, is een zwarte weduwe. Ze behoort tot de soort die hun mannen altijd opeten.’

‘Hoe zit het met je moeder? En Siobhan?’

‘Je hebt geluk dat ik een man ben. Vrouwelijke wisselaars hebben het veel lastiger. Eiwitten, daar is het hen vaak om te doen.’

‘Je vader?’

Hij zuchtte. Tranen blonken in zijn ogen. ‘Ik weet dat moeder het niet expres heeft gedaan. Ze... heeft hem per ongeluk opgegeten,’ gaf hij aarzelend toe. Hij beet op zijn lip en zijn ogen werden vochtig. Anna huilde met hem mee.

 

En ...

‘Er is nog iets dat je moet weten,’ zei Helmer haar de volgende dag. Hij keek zorgelijk. Buiten barstte er een onweer los. Ze liep naar het schuifraam en ze schoof het dicht. Het was net alsof er binnen ook een bui op openbarsten stond. Ze bekeek zijn gezicht en ze voelde dat er geen goed nieuws uit zijn mooie mond zou komen.

Ze twijfelde eraan of ze het wel wilde horen.

Hij legde haar pillenstrip op tafel. ‘Ze helpen er niet tegen, Anna,’ zei hij zacht.

Helmer keek haar zo zielig aan dat ze haar groeiende boosheid onder bedwang wist te houden. Ze beet op haar tanden. Ze voelde zich misselijk worden. Kregen ze straks ook monsterkinderen?

‘We ...’

‘Ik,’ snibde ze.

‘Jij gaat geen gewone mensenbaby’s krijgen, schat.’

Ze rolde met haar ogen. ‘Dat had ik wel door, ja. Het worden grote vieze monsters, net als jij,’ zei ze.

Hij draaide zich abrupt om.

Anna wist dat ze hem kwetste. Maar dat kon haar op dat moment helemaal niet schelen. Had hij haar maar niets moeten verzwijgen.

Hij staarde naar de grond.

Ze kon haar boosheid niet langer de baas. ‘Zeg het maar, dat we straks van die gedrochten moeten grootbrengen, kun jij lekker vliegen vangen voor de kleintjes.’ Haar stem trilde en klonk ongewoon scherp.

Hij balde zijn vuisten. Anna schrok toen ze de bleke kleur van zijn knokkels op de rug van zijn hand opmerkte. Ze schrok nog meer van de grimmige uitdrukking op zijn gezicht.

‘Ik had het je eerder willen zeggen. Echt. Maar hoe kon ik?’

Ze slikte. ‘Dus, pillen helpen er niet tegen. We krijgen monsterkinderen.’

Zijn ogen werden vochtig.

‘Ik bedoel, we krijgen speciale kinderen,’ hernam ze.

Hij zuchtte en ging zitten aan de keukentafel. ‘Omdat jij geen wisselaar bent, krijgen we wellicht gewone nimfen.’

‘Nimfen? Sprookjesfeeën? Hou me niet voor de gek, dat heb je al gedaan,’ zei ze.

Hij keek haar ernstig aan. ‘Ga zitten,’ zei hij en hij wenkte met zijn hoofd naar een stoel.

Ze kruiste haar armen en draaide zich zodat ze hem niet meer zag. Als hij dacht dat ze zijn schoothondje was, dan had hij het helemaal verkeerd voor. Door het raam zag ze de zee. Woelig en rusteloos. Het donderde. Het bliksemde. De regen viel met bakken uit de lucht.

Hij schraapte zijn keel. ‘Eerst komen de eitjes. En daaruit komen de juveniele spinnetjes, spiderlingen... ook wel nimfen genoemd. Na een zevental vervellingen groeien ze dan uit tot gewone spinnen.’

Ze schudde met haar hoofd. ‘Waar haal je het?’ zei ze ongelovig.

Op dat moment ging er van alles door haar heen. Kwaadheid. Afkeer. Ongeloof. Ze wilde dat het ongeloof was, dat het allemaal niet echt was. ‘Hoe weet jij dat allemaal?’ snauwde ze hem toe. ‘Alsof jij al duizenden kinderen hebt gebaard.’ Het begon Anna stilaan te duizelen. Natuurlijk ja, zijn moeder en zus hebben het ook. Die gedachte bezorgde haar een paar pijnlijke maagkrampen.

‘Er zijn nog anderen. Andere wisselaars. Dat heb ik je al verteld, niet? Moeder heeft er meermaals bij me op aangedrongen dat ik je voor ons huwelijk bij de vereniging zou introduceren. Ik durfde niet.’

‘Welke vereniging?’ Met een ruk draaide ze zich terug om.

‘Natuurstip. Het is een soort praatgroep van en voor wisselaars en hun verwanten.’

Hij keek haar vol verwachting aan. ‘We gaan er naartoe. Samen. Jij en ik. Na onze huwelijksreis. Het zal ons goed doen. Praten helpt.’

Anna reageerde niet.

 ‘Geef ons een kans, mijn lief,’ smeekte hij.

Hoewel haar hart iets anders zei, knikte ze hem toe. Een lachje kon er niet vanaf.

Maar haar korte antwoord was goed genoeg voor hem. Hij straalde gewoon. ‘Ik moet je nog zo veel uitleggen. Volgens de leden van Natuurstip is het perfect mogelijk om een relatief normaal leven te leiden,’ zei hij blakend van enthousiasme. Alsof dat allemaal niet genoeg was, haalde hij een paar vreselijke boeken uit zijn reistas. Fotoalbums met gezellige familiekiekjes en boeken met determinatietabellen over allerlei ongedierte.

Ze voelde zich opnieuw bedrogen. Hij had het allemaal van tevoren uitgekiend. De smeerlap. Dit afgelegen oord, de blinddoek, de fotoalbums... zijn moeder zat ook in het complot. Daarom had Isabelle ijs mee gegeven. Het was het enige dat Anna tijdens haar geweldige wittebroodsweken nog binnenkreeg.

 

Vloed

Het was op een warme dag in de nazomer van hun huwelijksjaar dat ze een kleine spin vond op de vloer in de woonkamer. ‘Kom hier, jij achtpotig monster, dat ik je buitenzet.’ Ze nam het diertje in haar handen. ‘De zon schijnt, buitenlucht zal je goed doen en dan beland je niet per ongeluk in de stofzuiger.’ Teder zette ze het beestje op het terras en het verdween meteen tussen de sprieten van het grasveld ernaast. ‘Ik weet zeker dat je uit mijn nest komt,’ zei ze zacht. ‘Ben ik even blij dat ik niet zoals Carine van de praatgroep gehuwd ben met een nog viezer monster. Spinnen zijn nuttigere en mooiere dieren dan die vunzige, roestkleurige naaktslakbaby’s van haar. En ze laten de sla ten minste met rust.’

Toen ze weer naar binnen kwam, stond Helmer haar aan te staren. Hij keek zo treurig. Anna schrok van zijn blik. Heeft hij me gehoord? Dat ik tegen spinnen praat? Oh, nee! Ik heb hen weer monsters genoemd. Heb ik dat? Ze wilde iets zeggen en keek hem aan. De woorden kwamen niet. Hij keek zo triest dat het haar pijn deed. De zon scheen, op zijn haar. Zijn wondermooie, koperen krullen iriseerden in het licht.

Ze besefte dat ze die kuiltjes in zijn wangen al lang niet meer gezien had. Haar gedachten gleden af, terug naar hun huwelijksnacht. Sindsdien hadden ze elkaar niet meer aangeraakt. Hij heeft zich vast al neergelegd bij een seksloos bestaan. Eigenlijk zou het niet zo moeten zijn. Helmer droeg haar zijn volledig hart toe, dat had hij meermaals bewezen toen zij hem regelmatig als walgelijk monster behandelde. Ze besefte dat hij ook een moeilijke tijd achter de rug had. We zijn te jong om te leven als broer en zus. We houden van elkaar. En hij is te knap om alleen maar naar te kijken. Hij is best meer dan één zonde waard.

‘Helmer?’ Ze ging voor hem staan.

‘Ja?’

Ze keek diep in zijn ogen die ze weer wilde zien fonkelen. ‘Ik wil dat je me neemt,’ zei ze.

Hij fronste. ‘Je weet dat pillen er niet tegen helpen,’ zei hij.

Ze lachte. ‘Isabelle is dol op kleinkinderen,’ zei ze.

Helmer lachte terug. De kuiltjes in zijn wangen verschenen weer. ‘Je hebt gelijk, hoe meer hoe liever, zegt ze altijd.’

‘We droppen de legsels gewoon weer bij je moeder,’ zei Anna.

‘Weet je zeker dat je het wilt?’

Ze knikte. ‘Met het licht aan.’

 ‘Geef me een kus, mijn lief,’ zei hij.

En dat deed ze. Meer dan één keer. Ze streelde zijn stoppelige wangen en zoende zijn zachte mond.

Hij omarmde haar en trok haar dicht tegen zich aan. Een paar minuten later waren de ramen van de woonkamer bedekt met een laag suikerspin.

Dik wollig en tegelijk ragfijn, privacy-spinsel.

Als jullie kunnen lezen, dan zijn jullie geen spinnen
Anna en Helmer

(= Geruststellende quote voor het geval u aan uzelf nog twijfelt.) 

reacties

Plaats zelf een reactie